Laat de ander niet gissen

De neiging van sommige hulpverleners is om weinig prijs te geven van wat er persoonlijk in hen omgaat. Uiteraard, het is niet de bedoeling dat je de rollen omdraait en dat jij alleen maar over jezelf aan het praten bent. Je mag echter heus wat van jezelf laten zien, je cliënt ziet daardoor dat zij of hij met een echt mens te maken heeft.

Doe het met mate en alleen als het iets toevoegt aan het gesprek. Een moment waarop het niets toevoegt, is wanneer het de vorm heeft van: ‘Ja, dat is mij ook gebeurd. Weet je wat ik toen deed? …’ en dan met een oplossing komen of (erger nog) het gesprek overnemen. Kies je er wel voor iets te zeggen, spreek dan voor jezelf. Vertel dat het gaat om je persoonlijke mening of ervaring en spreek in de ‘ik’-vorm.

Geef je cliënt genoeg informatie over wat voor soort mens je bent

Halvorson (2015) zegt dat je op actieve wijze informatie over jezelf aan de cliënt moet verstrekken. Niet zomaar of irrelevante informatie, maar zeer specifiek over hoe jij jezelf ziet en wat voor soort persoon je denkt te zijn. Dit omdat de cliënt anders zelf de ontbrekende stukjes zal invullen op basis van aannames, aannames gebaseerd op het eigen levensverhaal en hoe zij of hij de wereld om zich heen interpreteert. De gevolgtrekking is vrij eenvoudig: zorg ervoor dat je je cliënt voldoende informatie geeft over wat voor soort mens je bent en hoe jij de wereld om je heen ziet, dan hoeft zij of hij niet te gissen. En omgekeerd: vraag doelbewust je cliënt te vertellen wie zij of hij is en hoe zij of hij kijkt naar de wereld om zich heen, zodat jij ook niet hoeft te gissen!

Uit: Psychosociale gespreksvoering: De kunst van observatief luisteren